marinus-boezem-groene-kathedraal-019

De belofte van groeiende populieren

In 1987 werden 176 Italiaanse populieren geplant in Almere en daarmee startte een uniek meerjarig kunstproject van Marinus Boezem (1934). Boezems Gotische Groei Project, door de bewoners van Almere omgedoopt tot ‘De Groene Kathedraal’, wordt volgend jaar dertig – overigens net als ik. Naar verwachting groeien de populieren in 2017 tot hun hoogste punt; is Boezems kunstwerk dan eindelijk af?

Laten we het eerst hebben over de chronologie van het kunstwerk. Het is eigenlijk niet juist om te zeggen dat het project in 1987 begon, want Marinus Boezem dacht het concept al uit in 1978. De eerste Italiaanse populieren (Populus nigra ‘Italica’) werden vervolgens op 16 april 1987 geplant op uitnodiging van de Rijksdienst IJsselmeerpolders. Het kunstwerk volgt de plattegrond van de Cathédrale Notre-Dame de Reims, maar dan zonder dak of vloer, en met bomen in plaats van zuilen en steunberen. Een foto uit die tijd toont Boezem in een geruite broek met een voet op een spade. Om hem heen steken al wat jonge, nog bladloze scheuten uit de grond, maar het is dan nog moeilijk voor te stellen dat er een kathedraal uit het veld zal verrijzen.

Vervolgens werd in 1990 gestart met de aanleg van een tweede kathedraal, of eigenlijk: contra-kathedraal, want het is een uitsparing in het bos dat een paar meter verderop ligt. Deze kathedraal heeft dezelfde plattegrond als De Groene Kathedraal, maar ziet eruit als een open veld, met eromheen rijen beukenbomen die de omtrek van de kathedraal van Reims aangeven. Omdat beuken minder snel groeien dan populieren, wordt de kathedraal hier veel langzamer ‘omhoog getrokken’ dan even verderop bij De Groene Kathedraal.

In 1996, nu dus twintig jaar geleden, zijn de populieren hoog genoeg om het kunstwerk open te stellen voor het publiek. Het kunstwerk is toen ‘opgeleverd’ zoals dat heet, maar de bomen zijn dan nog lang niet uitgegroeid. De meningen zijn verdeeld over wanneer de bomen precies hun hoogste punt bereiken. Voorlopig wortelen ze prima in de polder. Ik vergaap me aan de hoge bomen die naar de hemel reiken. Volgens de laatste schatting komen de populieren volgend jaar, in 2017, tot volle wasdom. Vervolgens zullen de bomen op natuurlijke wijze langzaam afsterven en blijft in de verre toekomst slechts een ruïne over.

Groei in de polder

“Soms wilde ik ze wel omhoog kijken, zo ongeduldig was ik. Maar dat langzame hoort bij het project. Het maakt je bewust van het verstrijken van de tijd”, vertelde Boezem NRC Handelsblad in 1996, negen jaar na het planten van de bomen. Hij wilde een langzaam groeiend kunstwerk plaatsen op een kersvers stuk land, omdat juist op een dergelijke locatie het fenomeen ‘tijd’, hier zichtbaar in de vorm van groei en verandering, een grote rol speelt.

Almere is gebouwd op een stuk artificieel land dat door de mens gewonnen is op het water. “Toen dacht ik: een stad zonder geschiedenis heeft een kathedraal nodig”, aldus de kunstenaar in NRC. Maar in tegenstelling tot middeleeuwse kathedralen waarvan de bouw wel honderd jaar kon duren, verwachtte Boezem dat zijn kathedraal van populieren binnen dertig jaar zijn hoogste punt had bereikt. Dat past bij een stad als Almere die ook betrekkelijk snel is ontstaan.

Boezem is geen kerkelijk man. Hij vindt het fenomeen van de gotische kathedraal vooral interessant omdat hij het ziet als het hoogtepunt van ‘een door menselijk vernuft gestructureerde ruimte’. De kathedraal van Reims is het schoolvoorbeeld van de gotiek. Boezem maakte dus niet zomaar een kerk van bomen, maar maakte met zijn groeiende plattegrond een mijlpaal in de cultuur van Almere, verwijzend naar de hele Westerse cultuurgeschiedenis. Het kunstwerk gaat echter niet alleen over geschiedenis, maar over het hele tijdsproces.

Tijd in de kunst

Beeldende kunstenaars kunnen tijd zichtbaar maken door het gelijk te stellen aan beweging of verandering. In Themes of Contemporary Art. Visual arts after 1980 (2010) onderscheiden Jean Robertson en Craig McDaniel (beiden hoogleraar aan de Herron School of Art and Design van Indiana University) drie categorieën van kunstwerken met tijd als ingrediënt. Ten eerste kan een kunstenaar het kunstwerk zelf laten bewegen voor de ogen van de toeschouwers, zoals bij kinetische kunst of performances. Ten tweede kan een kunstenaar in zijn werk de illusie van beweging creëren. Met de zogenoemde time-based media (nieuwe media, zoals video en film) kunnen kunstenaars de voorbijtrekkende tijd vangen, maar belangrijker in deze context: de tijd manipuleren. Terwijl je naar een statisch beeldscherm of projectie kijkt, kan de afgebeelde tijd vertragen door slow motion, oneindig herhalen door een loop, of versnellen door een strakke montage. Ten derde zijn er kunstwerken waarin het maakproces centraal staat en waarvan de materialen in een staat van verandering blijven gedurende de levensspanne van het kunstwerk.

De Groene Kathedraal is echter zo bijzonder dat het binnen geen van deze categorieën past. Het kunstwerk hoort niet in die eerste categorie, want staand voor de populieren zal je de bomen niet zien groeien – hoogstens zie je de takken wuiven in de wind. Daarmee vervalt ook de tweede categorie, die van de illusie van beweging.

Dan blijft de derde categorie over, die Robertson en McDaniel vatten onder de noemer ‘process art’, en waar het werk van Boezem op het eerste gezicht goed bij lijkt te horen. Eerst een korte toelichting op process art. De term wordt voornamelijk gebruikt voor kunst uit de jaren zestig en zeventig waarin het proces centraal staat. Deze kunstwerken zijn gemaakt van materialen die van vorm veranderen (denk aan: ijs, vuur, was en planten) door toedoen van bijvoorbeeld opwarming, oxidatie of groei. Belangrijk is dat het middel gelijk wordt geschakeld aan het doel. Robert Morris (1931) werd met zijn essays, waaronder Anti-form (in: Artforum, april 1968) een van de pleitbezorgers van deze process art. In zijn kunstwerken, en die van geestverwanten als Eva Hesse (1936-1970) en Richard Serra (1939), lag de nadruk op vergankelijke of veranderlijke materialen, toeval en tijdverloop. Morris zelf bevestigde bijvoorbeeld vilt aan de muur en liet vervolgens de zwaartekracht het materiaal uitrekken. Het ging Morris om onvoorspelbare kunstwerken gemaakt van veranderende materialen, in plaats van vormvaste, immobiele sculpturen.

Het grootste verschil met deze proceskunstenaars is dat Boezem niet het onvoorspelbare karakter van zijn materialen bezingt. Boezem maakte schetsen en maquettes en kon voorspellen hoe zijn volgroeide kathedraal eruit zou zien. Het belang daarvan blijkt beter uit een vergelijking met kunstwerken die veranderen of groeien en dat blijven doen. Een mooi voorbeeld is Condensation Cube (1965) van Hans Haacke (1936). Het is een doos van plexiglas met daarin water dat verdampt en tegen de binnenkant van de kubus condenseert door de wisselende temperaturen in de tentoonstellingsruimte. Een recenter voorbeeld is E-Volver (2006) van Driessens & Verstappen (1963 & 1964), een zogenoemd ‘generatief kunstwerk’ waarin een soort digitale organismen zich blijven ontwikkelen; ze evolueren door een algoritme. Als je naar zo’n werk kijkt, maakt het niet uit of je vandaag of volgend jaar kijkt. Het beeld is anders, maar de kunstzinnige ervaring is hetzelfde, en verschilt dan eigenlijk niet eens zoveel van een statisch kunstwerk.

Boezem heeft net als Morris, Haacke en Driessens & Verstappen iets in gang gezet, maar een wezenlijk onderdeel van De Groene Kathedraal is dat er mijlpalen in het verschiet liggen. Onwillekeurig dringt een idee van Aristoteles zich op: de eikel heeft een inherente potentie om uit te groeien tot eik. Er ligt ook een verwachting besloten in de populieren in Almere. De bomen groeiden eerst naar het moment van ‘oplevering’, groeien nu naar hun hoogste punt toe, evenaren dan de hoogte van de kathedraal van Reims, en sterven vervolgens af. We weten niet precies hoe hoog de bomen worden, wanneer ze dat punt bereiken en hoe lang ze erover doen om volledig af te sterven. Maar of het nou over dertig, vijftig of zeventig jaar is; de ontwikkeling van De Groene Kathedraal zal een eindstation bereiken. Die kennis zorgt voor een andere tijdsbeleving van het kunstwerk.

Uitstellen

Boezem heeft die mijlpalen enorm uitgesteld. De kunstenaar moest al jaren wachten tot de bomen hoog genoeg waren om er überhaupt zuilen bij voor te kunnen stellen. Er zijn weinig voorbeelden binnen de beeldende kunst van werken die in dezelfde mate uitgesteld zijn als De Groene Kathedraal. In de muziek gebeurt wel iets vergelijkbaars. In de Duitse plaats Halberstadt speelt een orgel in de St.-Burchardi-Kirche het muziekstuk Organ²/ASLSP (As SLow aS Possible) van John Cage (1912-1992) ‘zo langzaam mogelijk’. De klanken die je nu hoort startten in 2013 en de volgende klankwissel vindt plaats op 5 september 2020. In het jaar 2640 is de uitvoering pas voltooid. Sta je daarbij stil, dan word je je bewust van de kruipende tijd. Maar bij Cage wordt de tijd tot het uiterste opgerekt. Boezems kunstwerk duurt ook lang, maar we hebben het hier over de reële tijd die een boom nodig heeft om tot wasdom te komen en te vervallen.

En die bewustwording van real time is net wat we nodig hebben, omdat het een tegenwicht biedt aan de artificiële tijd die bijvoorbeeld tot ons komt via het beeldscherm. In een speelfilm kan een heel mensenleven worden samengevat in twee uur. “Television and movies have trained modern viewers to expect life in condensed narratives, with scenes of heightened action and sound accompaniments that echo our emotions”, waarschuwt curator Amy Cappellazzo in de tentoonstellingscatalogus Making Time: considering time as a material in contemporary video & film uit 2000. Sindsdien zijn daar ook vlogs bij gekomen die een dag samenvatten in tien minuten. De Groene Kathedraal blijft onverminderd actueel, want het kunstwerk trekt de haast uit het nu.

Belangrijker nog; dit kunstwerk is een motie van vertrouwen in de toekomst. Dit werk legt niet de nadruk op de eindigheid van het kunstwerk, maar juist op de alsmaar doorlopende tijd. Ik vind het een geruststellende gedachte dat het werk over elf jaar, als we allebei veertig zijn, nog steeds bezig is met zijn ontwikkeling. Het is een hoopvol werk over de staat van het kunstwerk en haar context over een paar jaar of een paar decennia. De Groene Kathedraal is zwanger van de toekomst.

De belofte

De Groene Kathedraal van Boezem vraagt om een nieuwe categorie van tijdskunst. Eentje die ik ‘promise-based arts’ wil noemen. In die nieuwe categorie van uitgestelde kunst zou De Groene Kathedraal gezelschap kunnen krijgen van Future Library (2014-2114) van Katie Paterson (1981). Ook in dit werk spelen groeiende bomen een belangrijke rol. Het project, dat van start ging in 2014, bestaat deels uit duizend bomen die nu in Noorwegen groeien. Intussen nodigt een commissie ieder jaar een auteur uit om een tekst te schrijven, dat vervolgens ongelezen in een speciale ruimte in de nieuwe Deichmanske bibliotek in Oslo geplaatst wordt. Pas in 2114 worden alle teksten uit de kluis gehaald en gedrukt op het papier dat de volgroeide fijnsparren dan leveren.

De eerste twee teksten zijn geschreven door Margaret Atwood (1939) en David Mitchell (1969), en alleen zij kennen de inhoud van hun bijdragen. Zelfs de kunstenaar weet niet wat er ligt te wachten op de toekomstige lezers. Wel verklapte Mitchell in augustus in De Volkskrant dat hij veel songteksten van The Beatles heeft gebruikt in zijn manuscript, want vandaag zou dat veel geld kosten, maar in 2114 is het auteursrecht van de popgroep verlopen.

De bibliotheek is dus voor volgende generaties gemaakt. Is dat het toppunt van het menselijk kunnen, om voorbij je eigen tijd te kijken? Om iets te maken dat je niet direct met een publiek kunt delen, nee sterker nog, om het moment van ‘oplevering’ voorbij je eigen levensspanne te plannen? De kunstenaar, de auteurs, en ik zullen het moment dat de kluis wordt geopend niet meemaken. De inmiddels 82-jarige Boezem zal niet weten wanneer De Groene Kathedraal er niet meer is. Terwijl de sparren en populieren buiten langzaam doorgroeien, volgroeien de kunstwerken in onze hoofden.

Deze kunstwerken ademen een en al vertrouwen. Vertrouwen dat de auteurs lezenswaardige teksten schreven, dat het Noorse bos blijft bestaan, dat iemand de boeken drukt. Vertrouwen dat de populieren onbelemmerd kunnen groeien, dat zich geen natuurrampen voltrekken, dat het land niet wordt verkocht aan een projectontwikkelaar. De toekomst is onkenbaar, maar wordt een beetje voorspelbaarder als ik bedenk dat Future Library dan is gedrukt en alleen de uitsparing in het beukenbos, de contra-kathedraal, nog herinnert aan De Groene Kathedraal.

Die belofte draagt De Groene Kathedraal altijd al in zich, terwijl het groeit in de polder. Het werk is nu al af, en het was 29 jaar geleden ook al af. En straks, als de takken afvallen, de bomen afsterven, en er alleen nog een ruïne te zien is, ook dan is het kunstwerk af.

‘De belofte van groeiende populieren’ is mijn inzending voor de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek in de categorie ‘Essay’. Op vrijdag 16 december 2016 won ik de basisprijs.

Uit het juryrapport:

“Sophia Zürcher verdiepte zich in haar essay ‘De belofte van groeiende populieren’ in het oeuvre van Marinus Boezem en specifiek in zijn Groene Kathedraal. Ze legt aan de hand van goed gekozen voorbeelden het verband met andere kunst die groeit of beweegt in de tijd. In haar leerzame tekst toont ze aan waarom Boezems werk nog steeds onverminderd actueel is en lanceert ze en passant een nieuwe term: ‘promise-based arts’. De jury kent Sophia Zürcher een basisprijs toe. Om haar talent verder te ontplooien, ontvangt zij een begeleidingstraject van De Nieuwe Garde, en haar winnende essay wordt op Knack.be gepubliceerd.”