Blog: Gaten in de kunst

Lucio Fontana, Concetto Spaziale, Atessa, 1962
Lucio Fontana, Concetto Spaziale, Atessa, 1962

Op het moment zijn twee schilderijen van Lucio Fontana te zien in het Gemeentemuseum Den Haag. Er hangt een witgeverfd doek met vier sneden en een rood doek met een grote snee. Ik zat bijna met mijn neus op het rode doek. Ik weet dat er hoogstwaarschijnlijk slechts muur achter het doek zit, maar ik wou het toch even zeker weten. Dat zette me aan het denken over gaten in de kunst.

Een gat bestaat eigenlijk niet. Het is een opening van iets, een hiaat, een holte. Eigenlijk kan je een gat dus ook niet zien, je ziet alleen wat er omheen zit. Die randen zijn als het ware het spoor van het gat, ze verwijzen naar dat wat er niet is. Dat onzichtbare maakt het heel interessant voor beeldende kunstenaars, die immers werken met het visuele. Hoe geef je weer wat er niet is? En wat kan je ermee doen? Een verkenning van de mogelijkheden, van kleine naar grote gaten.

Echte gaten
Een gat is meer dan diepte. Diepte creëer je in een schilderij door bijvoorbeeld vormen te laten overlappen of centraal perspectief te gebruiken. Maar van een echt gat kan in een schilderij geen sprake zijn, elke verfstreek in een schilderij is er. Een kunstenaar kan er voor kiezen een deel niet te beschilderen, maar vreemd genoeg gebeurt dat weinig. De angst voor leegte (horror vacui) zal echter het onderwerp van een ander blog moeten worden. Ik wil het niet over leegte hebben, maar over gaten. Het gaat mij om die randen van het lege deel. Een subtiel verschil. Dit blog gaat ook niet over het afbeelden van gaten. Natuurlijk kan je wel iets afbeelden met een gat erin, zoals René Magritte een deur met een gat maakte: La Réponse Imprévue (1933). Ik wil het echter hebben over echte gaten. Er zijn echter heel weinig schilderijen met gaten.

Dat maakt de schilderijen van de Italiaanse kunstenaar Lucio Fontana zo interessant. Hij snijdt in het monochroom geschilderde doek. Zo’n jaap in een doek oogt agressief. Op die manier vestigt hij aandacht op het materiaal van het kunstwerk, in plaats van de afbeelding. Hij suggereert dus geen diepte, want je kijkt echt door het doek heen. Je zou kunnen zeggen dat zijn werk het midden houdt tussen schilderkunst en beeldhouwkunst. Het is een ruimtelijk schilderij. Fontana noemde deze werken, waaraan hij begon in 1949, Concetto spaziale. Ze zijn onder meer te vinden in de collecties van Museum Boijmans Van Beuningen, het Stedelijk Museum Amsterdam en in het Haags Gemeentemuseum.

Bindmiddel
Er zitten weinig gaten in schilderijen, maar in beeldhouwkunstwerken des te meer. Beeldhouwers werken vaak met gaten, ze boetseren om de leegte heen, of hakken een gat uit een materiaal. Door gaten te maken, wordt een volume optisch minder zwaar. Door met gaten te werken kon Henry Moore een menselijke figuur maken waarvan de ledematen niet losse uitstulpsels worden van een zware romp, maar een eenheid. Een sculptuur van Henry Moore doet mij altijd denken aan vormen die aan elkaar gegroeid zijn. Het heeft iets organisch. Zeker bij concave openingen in sculpturen van Moore kun je heel goed voorstellen dat het gat met lucht gevuld wordt. Het levert ook mooie doorkijkjes op, zoals in de tuinen van het Rijksmuseum.

Henry Moore, Oval with Points, 1968-70
Henry Moore, Oval with Points, 1968-70

Doorgangen
Gaten kunnen optisch interessant zijn, maar het kan ook lonen om ze lichamelijk te kunnen ervaren. Op dOCUMENTA (13) exposeerde de Nederlandse kunstenaar Gabriel Lester Transition 2012 (2012) in het Karlsaue Park, het staat sinds kort op de parkeerplaats Koebroeken bij Eext aan de N34. Het is een gebogen grijze buis waar je doorheen kunt lopen. Daarom doet het denken aan de groene ‘warp pipes’ die je van het ene naar het andere level brengen in het computerspel Super Mario Bros. De titel versterkt dat gevoel, want een transition (overgang) is een passage van de ene naar de andere plek, en het is ook een montagetechniek om filmscènes te combineren. Als je de donkere pijp instapt, is het een moment pikzwart maar al gauw zie je het licht ‘aan het einde van de tunnel’. Na een tocht door deze tunnel kom je weer min of meer op dezelfde plek uit, maar stiekem verwacht je dat er toch iets veranderd is. Een overgang als deze zet je fantasie aan het werk.

 

Gabriel Lester, Transition, foto: Tonnie
Gabriel Lester, Transition, foto: Tonnie

Openingen
Maar een gat kan ook juist illusies wegnemen. Pas als het weg is, of als je erdoorheen kunt kijken merk je de aanwezigheid op van muren. In 1996 moest Fons Welters toezien hoe Job Koelewijn twee gaten ter grootte van voetbaldoelen uit de galeriemuren liet hakken. De expositie had de simpele titel ‘Twee openingen’. Je keek zo de achtertuin van de buren in. Koelewijn stelde dus letterlijk een fragment van de werkelijkheid tentoon. Hij was niet de eerste en zal ook niet de laatste kunstenaar zijn die laat zien wat er gebeurt achter de muren van een galerie of museum. Michael Asher staat bekend om zijn bewerkingen van muren. In 1974 liet hij de muur die tentoonstellingsruimte scheidt van de kantoren in Claire Copley Gallery verwijderen. Wat normaal behind-the-scenes blijft, kwam volop in beeld: de galeriehouder aan het werk, de opgeslagen kunstwerken. Een galerie is niet alleen ruimte waar je esthetische ervaringen kunt opdoen, het is ook gewoon zaken doen. Sociale, economische en architectonische factoren spelen immers ook een rol bij de verkoopt van kunst. Niet alleen laat Asher zien wat er nodig is voor jouw kunstervaring, ook zet het vraagtekens bij wat kunst is. Asher hoort, met name door deze interventie, tot een tak van de conceptuele kunst die kunsthistorici en –critici ‘institutionele kritiek’ noemen. Dit etiket wordt geplakt op kunstenaars, ook op bijvoorbeeld Marcel Broodthaers en Hans Haacke, die willen laten zien hoe een cultureel instituut werkt. Het gaat om hoe je naar kunst kijkt. Urs Fischer maakt niet alleen gaten in de muur, maar ook in de vloer. In 2007 hakte hij de vloer weg uit Gavin Brown’s Enterprise, ook daar ging het over het opnieuw ervaren van de ruimte. Een bezoek aan een galerie werd een nieuwe verfrissende ervaring. De schaal veranderde en de aarde stak vies af tegen de perfecte witte galeriemuren.

Een gat is een artistiek middel dat (optische) illusies mogelijk maakt, maar net zo goed een situatie fysiek of symbolisch blootlegt. In een van de wolhokken in Museum De Pont in Tilburg kom je een gat in de grond tegen. Door alleen te kijken, kan je niet achterhalen of Anish Kapoors Descent into Limbo (1992) een gat of een blauwe schijf betreft. Ik heb mijn vingers langs de rand laten glijden. De suppoost werd boos, ik moest direct mijn handen wassen want het pigment is mogelijk giftig. Nu weet ik hoe het zit: Kapoor heeft een holte in de grond met blauw pigment geverfd. Het pigment absorbeert het licht en daardoor zie je het gat niet. Ik vind het eigenlijk wel jammer dat ik dat weet. Juist het ongewisse maakt gaten zo spannend. Uiteindelijk is het niet eens belangrijk of je de muur door het schilderij van Fontana kunt zien, want daar gaat het niet om. Toch kan ik mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen.

Lucio Fontana, Concetto Spaziale, Atessa, 1962 (detail)
Lucio Fontana, Concetto Spaziale, Atessa, 1962 (detail)

 

Foto’s: Sophia Zürcher